Op 30 juni 2017 treden de nieuwe wet en de uitvoeringsbesluiten inzake overheidsopdrachten in werking. De belangrijkste doelstelling: het omzetten van de Europese richtlijnen 2014/24/EU (klassieke sectoren) en 2014/25/EU (speciale sectoren).

Laten we eerst even in herinnering brengen dat de Europese wetgever in hoofdzaak drie moderniseringsdoelstellingen nastreeft: een hogere efficiëntie van overheidsopdrachten, ondersteuning voor kmo’s en de invoering van een ethische dimensie in economische relaties. Op welke manier heeft de Belgische wetgever deze doelstellingen vertaald in de nieuwe regelgeving? En wat zijn de voornaamste wijzigingen ten opzichte van de oude reglementering? 

De nieuwe regelgeving als hulpmiddel voor aanbesteders  

De wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten heft de wet van 15 juni 2006 op en vervangt ze. De Europese richtlijnen uit 2014 en de nieuwe Belgische wetgeving streven ernaar de reglementering te vereenvoudigen en te moderniseren door aanbesteders flexibelere, doeltreffendere en meer gevarieerde tools aan te reiken. Dit met het oog op betere overheidsaankopen in lijn met de geldende transparantieregels.

De wetgever heeft zeker geen half werk verricht; de nieuwe regelgeving bevat immers talrijke wijzigingen ten opzichte van de vroegere. In dit artikel gaan we alvast dieper in op 5 van de belangrijkste aanpassingen in het nieuwe wetgevende kader.

Focus op 5 nieuwigheden in de  regelgeving voor overheidsopdrachten

1. Geen onderscheid meer tussen publieke en private speciale sectoren

De wet van 15 juni 2006 voorzag in de speciale sectoren aparte regels voor overheidsopdrachten geplaatst door enerzijds aanbestedende overheden en overheidsbedrijven, en anderzijds private aanbestedende entiteiten. In de nieuwe regelgeving verdwijnt dit onderscheid en geldt hetzelfde regime voor alle aanbesteders.

Opgelet, deze uniformisering geldt alleen voor opdrachten boven de Europese drempelbedragen.

2. Hogere drempelbedragen voor plaatsing van overheidsopdrachten

In de vroegere wetgeving konden overheidsopdrachten maar tot een geraamd bedrag van 8.500 EUR op basis van aangenomen factuur worden gesloten. De nieuwe reglementering trekt deze drempel nu op naar 30.000 EUR.

Overheidsopdrachten via aangenomen factuur zijn evenwel ook onderworpen aan de algemene principes van de wetgeving (met uitzondering van de bepalingen omtrent het gebruik van elektronische middelen en omtrent voorschotten) evenals aan de ramingsregels (dit houdt in dat ook voor deze opdrachten een voorafgaande raadpleging van meerdere potentiële opdrachtnemers moet gebeuren).

3. Geleidelijke verplichting om elektronische middelen te gebruiken (dematerialisatie)

Alle communicatie en informatie-uitwisselingen tussen aanbesteders en deelnemers moeten voortaan met elektronische middelen gebeuren, en dat in alle stadia van de plaatsingsprocedure. De wet voorziet wel nog uitzonderingen voor documenten die niet op deze wijze kunnen worden overgemaakt, hetzij om technische redenen, hetzij omwille van hun vertrouwelijke karakter.

Mondelinge communicatie is toegelaten – al wordt ze liefst ook schriftelijk geregistreerd – voor de elementen die geen rechtstreeks verband houden met de plaatsingsprocedure. De communicatie omtrent opdrachtdocumenten, offertes en aanvragen tot deelneming wordt als een essentieel onderdeel van de plaatsingsprocedure beschouwd en moet dus via elektronische weg gebeuren.

Om de overgang naar een volledige dematerialisatie te begeleiden, werden een aantal online toepassingen ontwikkeld op het federale platform voor e-procurement:

  • e- Notification, om aankondigingen te publiceren en opdrachtdocumenten beschikbaar te stellen
  • e-Tendering, om aanvragen tot deelneming en offertes te verwerken
  • e- Catalogue, om catalogi te beheren en producten te bestellen
  • e-Awarding, om offertes van inschrijvers te beoordelen
  • e-Auction, om elektronische veilingen te organiseren

Welke planning voorziet de nieuwe wetgeving?  

Vanaf 18 oktober 2018 moeten alle overheidsopdrachten boven de Europese drempelbedragen met elektronische middelen verlopen. Voor aankoopcentrales is dit zelfs al het geval sinds 18 april 2017.

Voor overheidsopdrachten onder de Europese drempelbedragen geldt de verplichting pas vanaf 1 januari 2020.

4. Verdeling van opdrachten in percelen

De nieuwe reglementering moedigt aanbesteders nog meer aan om te plaatsen overheidsopdrachten te verdelen in percelen.

In de klassieke sectoren (opdrachten voor leveringen, diensten en werken) wordt de verdeling in percelen verplichtvoor overheidsopdrachten met een geraamd bedrag hoger dan 135.000 EUR. Beslist de aanbesteder om de opdracht toch niet in percelen te verdelen, dan moet dit worden gemotiveerd in de opdrachtdocumenten.

Hoe verdeelt de aanbesteder een opdracht in percelen?   

In de aankondiging van de opdracht moet de aanbesteder vermelden of offertes kunnen worden ingediend voor één perceel, meerdere percelen of alle percelen. Daarnaast beschikt hij over de mogelijkheid om een limiet in stellen op het aantal percelen die aan eenzelfde inschrijver worden gegund, zelfs wanneer die voor méér percelen een offerte indient.

Bij een verdeling in percelen moet de aanbesteder tevens objectieve en niet-discriminerende gunningsregels formuleren.

Deze nieuwigheid wil de concurrentie op overheidsopdrachten stimuleren en eveneens de deelneming van kmo’s aan overheidsopdrachten bevorderen.

5. Herziening van de uitsluitingsgronden en invoering van het UEA

De herziening van de uitsluitingsgronden met betrekking tot deelneming aan overheidsopdrachten vormt een andere belangrijke wijziging in de nieuwe reglementering.

Drie verplichte uitsluitingsgronden worden toegevoegd. Zo moet een kandidaat of inschrijver voortaan ook uit de plaatsingsprocedure worden geweerd indien hij werd veroordeeld voor:

  • terroristische misdrijven of activiteiten
  • kinderarbeid en andere vormen van mensenhandel
  • tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen

De meest ingrijpende wijziging inzake verplichte uitsluitingsgronden is evenwel dat de aanbesteder een onderneming niet alleen moet uitsluiten wanneer het strafbare feit gepleegd werd door de rechtspersoon (onderneming), maar eveneens door een persoon met vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid tegenover de onderneming.

Ook de uitsluitingsgronden in verband met fiscale en sociale schulden worden verplicht. Wel kunnen ondernemingen die niet aan de voorwaarden voldoen, hun toestand alsnog regulariseren. Ze beschikken hiervoor over vijf werkdagen na kennisgeving van uitsluiting door de aanbesteder. Dergelijke regularisatie kan echter maar één keer plaatsvinden doorheen de volledige plaatsingsprocedure.

Voorts worden ook een reeks facultatieve uitsluitingsgronden toegevoegd. Een aanbesteder kan vanaf nu kandidaten en inschrijvers eveneens de toegang tot de plaatsingsprocedure ontzeggen bij:

  • schending van de wettelijke verplichtingen inzake milieu-, sociaal en arbeidsrecht
  • afspraken of handelingen die de normale mogelijkheden tot mededinging vertekenen
  • belangenconflicten
  • aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen in de uitvoering van vroegere overheidsopdrachten
  • onrechtmatige beïnvloeding van het besluitvormingsproces

Ondanks een toepasselijke uitsluitingsgrond kunnen kandidaten en inschrijvers  elementen aanvoeren die erop wijzen dat zij in dit verband corrigerende maatregelen hebben genomen, dit om alsnog hun betrouwbaarheid aan te tonen. Een onderneming kan bijvoorbeeld het bewijs leveren dat zij een schadevergoeding heeft betaald in een concrete zaak, dat zij alle banden heeft verbroken met personen die betrokken waren bij strafbare feiten, of dat zij concrete procedures heeft ingesteld om inbreuken en fouten in de toekomst te voorkomen. De aanbesteder onderzoekt vervolgens deze bewijsvoering om te beslissen of de deelnemer al dan niet finaal wordt uitgesloten.

Moet de aanbesteder de uitsluitingsgronden voor iedere deelnemer nagaan?

Met het oog op de administratieve vereenvoudiging voorzag het Belgische recht al om met betrekking tot de uitsluitingsgronden een impliciete verklaring op erewoord te kunnen afleggen. De nieuwe regelgeving vervangt deze impliciete verklaring door een expliciete: het Uniform Europees Aanbestedingsdocument of UEA.

Bij een aanvraag tot deelneming of bij het indienen van een offerte moeten kandidaten en inschrijvers voortaan een ingevuld UEA toevoegen. Dit document bestaat uit een formele verklaring van de onderneming waarin zij stelt dat de betrokken uitsluitingsgronden niet op haar van toepassing zijn en ze dus aan de toegangsrechten voor deelname voldoet. Deze verklaring laat evenwel nog steeds toe dat de aanbesteder ondernemingen tijdens de plaatsingsprocedure verzoekt om in dit verband de nodige bewijsstukken voor te leggen. De aanbesteder wordt dus geenszins ontslagen van zijn verantwoordelijkheid om vóór gunning van de opdracht de toestand van de uiteindelijke opdrachtnemer te controleren.

Omvat de nieuwe regelgeving nog andere wijzigingen?

De Belgische wetgever heeft via de nieuwe regelgeving heel wat maatregelen genomen om tot een vereenvoudiging in het beheer van overheidsopdrachten te komen, evenals tot een hogere efficiëntie van de overheidssector in het algemeen. De nieuwe reglementering omvat dan ook meer dan de 5 hierboven besproken wijzigingen. De herziening van de mogelijke plaatsingsprocedures, de uniformisering van de gunningscriteria, de afschaffing van het onderscheid tussen prioritaire en niet-prioritaire diensten, … Wij bespreken de overige nieuwigheden in een volgend artikel dat weldra verschijnt.

LIAWEB, de oplossing voor het beheer van overheidsopdrachten, helpt u in alle rechtszekerheid bij het geheel aan taken die hiermee verband houden. Zowel voor opdrachten waarop de vorige reglementering nog van toepassing is als voor opdrachten die onder de nieuwe regelgeving vallen.